Hoofdstuk 3: 

De oude, versleten deur.

Ineens begint haar vader te mompelen, “Waar is de bel?” Zijn stem klinkt zacht alsof hij bang is dat de deur uit elkaar valt. Puck laat meteen haar blik over de houten deur gaan, waar de nerven kronkelen als diepe barsten van boven naar beneden lopen. Op hetzelfde moment ziet ze aan de rechterkant van deze deur een rood, gevlochten touw hangen. Het beweegt heel licht heen en weer door het kleine briesje dat er staat dat langs de muur strijkt.

Zonder aarzeling schiet ze naar voren. Haar vingers klemmen om het ruwe touw, en met een felle ruk trekt ze eraan. De stilte die als een deken over het bos lag, wordt in één klap verstoort door een scherp, galmend geluid dat tussen de bomen weerkaatst. Even lijkt het of de grond staat te trillen. Pucks vader schrikt, hij verliest even zijn evenwicht.

In dat wankele moment verliest Puck haar balans. Het kleine lijfje schuift over zijn arm, alsof ze elk moment naar beneden kan vallen. Maar haar vader herpakt zich bliksemsnel; zijn handen schieten omhoog, hij pakt zijn dochter goed vast en zet haar weer recht op zijn arm.