Hoofdstuk 5
DE DONKERE GANG

Ze komen samen in een donkere, kille gang terecht. De zuster draait zich om en loopt zwijgend verder. Pucks vader volgt haar, zijn dochter stevig tegen zich aan. De schemer in de gang wordt steeds dieper. Een koude tocht strijkt langs Pucks wangen, alsof de gang zelf ademt. Puck knippert met haar ogen, op zoek naar een straaltje licht, maar ze kan het nergens vinden.
Wat ze langzaam begint te zien, zijn talloze spinnenwebben die van muur tot muur lopen, langs de vele scheuren in het losgerukte behang. Vieze plekken die eruitzien als geheime tekens liggen kriskras over de muren verspreid. Sommige lijken haast met een vinger in het behang gekrast, alsof iemand wanhopig iets wilde achterlaten.
De vloer waarop iedere voetstap neerkomt, maakt een dof geluid, alsof hij hun gewicht nauwelijks kan dragen. Verderop in de smalle gang hoort Puck iets onregelmatig tikken. Het is geen hard geluid, maar in de stilte die hier heerst voelt het beklemmend. Puck probeert te achterhalen waar het getik vandaan komt. Het klinkt eerst heel ver weg, maar bij de volgende stap is het ineens weer dichtbij.

Bijna ongemerkt kruipt Puck dichter tegen haar vader aan. Op zoek naar zijn hand sluit, zodra ze die gevonden heeft sluit ze haar vingers stevig om de zijne. Ze zoekt naar zekerheid en houvast, en die kan ze nu alleen bij hem vinden. Zijn hand voelt warm, maar zelfs die warmte kan de kou van de gang niet verdrijven. Even denkt ze dat het getik precies achter hen klinkt. “Het komt goed,” hoort ze haar vader zachtjes fluisteren. Maar Puck blijft rillen en klemt zich nog steviger aan hem vast, terwijl hij zuster Maria blijft volgen. Even later houdt de zuster stil bij een klein deurtje. Het hout is net zo versleten als alles in dit huis. Lange, ruwe splinters steken naar buiten, als kromme nagels die uit het verweerde hout zijn gegroeid.
Sommige staan scherp overeind, andere lijken half los te zitten, alsof één verkeerde aanraking genoeg is om ze af te breken. Zuster Maria pakt de roestige klink vast. Het metaal kraakt onder haar vingers. Puck voelt hoe haar adem stokt, alsof het geluid iets in de gang wakker maakt. Ze duwt het deurtje langzaam open. Het hout piept en kreunt, alsof het al jaren niet meer is aangeraakt.

Het geluid snijdt door de stilte. Een rilling trekt langs Pucks rug, zo scherp dat ze haar vaders hand nog steviger vastklemt.
Puck, nog steeds verstrengeld met de hand van haar vader, ziet een dun streepje licht door de kier vallen. Het licht trilt, alsof het zelf bang is om naar buiten te komen. Ze knijpt haar ogen dicht en opent ze dan voorzichtig. Wat ze ziet, is bijna niet te bevatten.