WAKKER WORDEN.

Het licht vult mijn slaapkamer al volledig wanneer ik wakker word. Het dringt door mijn gesloten oogleden heen, alsof het me zachtjes probeert te porren. Mijn lichaam voelt zwaar, mijn hoofd blijft ergens hangen tussen nacht en dag, in dat wazige gebied waar niets haast heeft.
Ik sluit mijn ogen opnieuw, heel even, alsof ik mezelf nog een paar seconden mag verstoppen. Maar mijn rotwekker denkt daar anders over. Hij blijft maar doorgaan, onverbiddelijk. Ik moet opstaan. Mijn hond wacht. En daarna al die mensen die iets van me willen, iets te vertellen hebben, iets verwachten.

In een traag tempo kleed ik me aan. Mijn benen voelen stroperig, mijn lijf beweegt alsof ik negentig ben en elk gewricht eerst wakker geschud moet worden.
Nog maar net in de keuken word ik overspoeld door een explosie van vrolijkheid. Mijn hond stormt op me af, geeft me tientallen natte kusjes, haar staart zwiept alsof ze een kleine orkaan veroorzaakt. Ze is zó blij dat ik er weer ben. Zij heeft zin in de dag. In buiten. In beweging.
Ik niet.

Alleen al de gedachte aan auto’s die voorbij razen, mensen die overal naartoe vliegen, stemmen die me raken nog voor ik ze hoor… het maakt me wanhopig.
Nee. Laat mij maar zitten in mijn kleine wereld, met de gordijnen dicht. Daar is het stil. Daar kan mijn hoofd op zijn eigen tempo ontwaken, zonder dat de buitenwereld meteen aan me trekt.